De wisselwerking tussen kunst en samenleving

Auteur Marijke A. Deege

Niemand zal de aanslagen op 11 sept. 2001 op de Twin Towers in New York vergeten.

“De kunsthistoricus en schrijver Wim de Wagt die van deze dramatische gebeurtenis getuige was, analyseerde nadien de manier waarop de stad dit trauma verwerkte. Het ging hem vooral om de herinnering aan het verleden die in kunst wordt verwerkt of kunstenaars tot inspiratie dient. In zijn bundel ‘De kunst van het herinneren’ neemt hij de lezer mee op zijn reis langs pijn, verdriet en schoonheid. Voor De Wagt is de kunst niet alleen belangrijk vanwege de schoonheidservaring, maar ook omdat het hem iets zegt over de wisselwerking tussen kunst en samenleving, over de geschiedenis van een stad, een land.”

– Trouw 11 sept. 2013, uit het interview Peter Henk Steenhuis met de Wim de Wagt

De kunstenaar op het knooppunt van de samenleving

Kunst is het uit hoofd, hart en hand ontstane product van een kunstenaar. Hoe hij indrukken verwerkt en hoe hij aan zijn impressies een expressie geeft, is het heiligdom waarin hij heer en meester is, maar hoe geeft de kunstenaar aan zijn zeer persoonlijke opvatting een brede betekenis mee? Een monument is immers niet alleen de herinnering aan een gebeurtenis, het staat ook symbool voor het collectief geheugen.

Hier staat de kunstenaar op een knooppunt in de samenleving: aan de ene kant de vraag van de gemeenschap en aan de andere kant het gedenkteken dat de communicator moet zijn, want het monument zal de aandacht moeten vragen om een ogenblik stil te staan en te herinneren.

De beeldhouwer ingeschakeld

In het pas bevrijde Nederland werden de beeldhouwers, voor het eerst in de geschiedenis, ingeschakeld om gestalte te geven aan de dramatische bezettingsjaren 1940 -1945.

De beeldhouwkunst was in Nederland voordien niet erg in tel; ze bestond, maar slechts per gratie van enige rijke opdrachtgevers of was afhankelijk van een overheid die niet erg over de brug kwam. Wij waren immers het land van de schilders en de dichters en de boekdrukkunst. Steengroeven vind je niet in ons land of het moet de mergel in Zuid-Limburg zijn. Ons land telde dan ook niet veel beeldhouwers.

De vraag naar gedenktekens groeide na de oorlog gestaag door. Men wilde getuigen van de strijd, van het verzet, van de angst, van het leed en van het verdriet van de achterblijvers. Om dat uit te beelden werd dus de beeldhouwer gevraagd. Hij kreeg de opdracht in duurzaam materiaal, steen of brons, die gevoelens te vertolken.

Wat de Eerste Wereldoorlog betreft zal waarschijnlijk 98% van de Nederlanders op internet moeten zoeken of er in Nederland überhaupt monumenten zijn die aan de ‘Groote Oorlog’ herinneren. Al zijn het er niet veel, ook in ons land zijn deze monumenten te vinden b.v. het Belgenmonument in Amersfoort en het monument Leger en Vloot aan de boulevard te Scheveningen.

Na de Tweede Wereldoorlog betreurde Nederland ongeveer 230.000 doden, waaronder veel burgers en 105.000 mensen – voornamelijk Joden, maar ook Roma’s en Sinti’s, Jehovagetuigen, homo’s en gehandicapten – werden systematisch vermoord in de vernietigingskampen. En niet te vergeten: zij die omkwamen in de dwangarbeiderskampen. Zoveel slachtoffers, dat vraagt om herdenken.

De oorlogsmonumenten en hoe uitgebeeld

De bezettingsjaren van 1940-1945 werden door de kunstenaars tot in de zestiger jaren vaak uitgebeeld in het lijden van de bevolking en de offers die voor de vrijheid en de toekomst van het vaderland werden gebracht. Goed en kwaad werden vaak scherp tegenover elkaar gesteld. Meestentijds was dit in een figuratieve uitbeelding, hetzij en-reliëf hetzij driedimensionaal.

Teksten werden gebeiteld in steen, soms was dat een opdracht aan de beeldhouwer soms ook werd die opdracht aan de steenhouwer verleend. Er waren namelijk maar weinig beeldhouwers die in steen konden hakken; op de academie werd daar nauwelijks aandacht aanbesteed. Vaak voerden de beeldhouwers daarom hun opdracht uit in het materiaal gips en de prakticien, een steenhouwer die zijn vak meester was, hakte door middel van de puncteermethode het beeld. Het bronsgieten ging via de zandvormtechniek en ook hiervoor moesten de beeldhouwers hun vakkennis opdoen in de praktijk bij een bronsgieter.

Geen eenvoudige zaak

Wie echter een gedenkteken in het openbaar wilde plaatsen begon aan geen eenvoudige zaak.
Het herinneren en het bewaren van het collectief geheugen moesten, wat vorm en inhoud betreft, aan strenge eisen voldoen en alles ging langs ‘Den Haag’. Dit eindstation had weliswaar een zak geld hiervoor beschikbaar, maar wilde ook niet alles betalen. Dat het kunstwerk wel aan enige criteria moest voldoen was begrijpelijk, zo’n monument is immers ook een belangrijk bestandsdeel in de geschiedenis van een land, ons land.

Maar ook de opdrachtgever moest over het benodigde geld beschikken en dat niet alleen, hij moest ook een beeldhouwer vinden die een ontwerp kon maken. En, na goedkeuring van de opdrachtgever, begon dat ontwerp aan een lange reis langs de commissies en comités. Wat er allemaal bij kwam kijken, ondervond Marcus Ravenswaaij toen hij in zijn laatste Academiejaar het verzoek kreeg om een verzetsmonument voor het land van Heusden en Altena en het westelijk deel van de Brabantse Biesbosch te maken.

Het was enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog toen de opdrachten voor verzetsmonumenten nog maar net op gang waren gekomen. De vele brieven, de bij te wonen vergaderingen en de tijd die dat vroeg, ontnamen de jonge kunstenaar bijna de moed dat zijn ontwerp ooit uitgevoerd zou worden. Maar de opdracht kwam en hij hakte zelf het beeld in vaurion ( een Franse kalksteen) op het terrein van toentertijd het steenhouwersbedrijf Kortleve te Amsterdam. Het monument kreeg zijn voltooiing in 1952.

Het verzetsmonument in Sleeuwijk herdenkt 34 inwoners van het Land van Heusden en Altena en het westelijk deel van de Brabantse Biesbosch die in het verzet zaten en zijn omgekomen.

Veranderend Nederland

Aan het eind van de jaren zestig was er een snel groeiende welvaart en Nederland veranderde in rap tempo mee. Er ontstonden heftige politieke en culturele confrontaties, waarbij de herinneringen aan de oorlog eerder als munitie dan als een brug naar elkaar functioneerden. Natuurlijk raakte deze veranderde denkwereld ook de kunstenaar. Uiteenlopende vormen van kunst ontstonden; er kwamen meer abstracte ontwerpen voor de oorlogsmonumenten. Deze presentaties botsten niet zelden met de herinneringen en ervaringen van de nabestaanden, de ooggetuigen en de bevolking; zij herkenden hun gevoelens en behoeften niet in metalen constructies. ‘Wij zijn niet gemarteld en onze families niet vermoord in het abstracte.’

Maar langzaam kwam er toch meer openheid in denken. Zo kreeg het monument Westerbork de handen op elkaar van de Joodse gemeenschap.

In het jaar 1988 kreeg Marcus Ravenswaaij de vrije opdracht van het gemeentebestuur van Giessenlanden om voor Arkel, een van de zeven kernen, een herdenkingsmonument te ontwerpen voor de gevallenen van dit dorp aan de Linge.

Het monument werd onthuld op 10 mei 1989. Het beeld symboliseert de aanval van Duitsland (de arend/ Duitse adelaar) op Arkel (de zwaan, die deel uitmaakt van het wapen van Arkel).

Tien jaar later kreeg hij de opdracht om het ‘Indië-monument’ in Gorinchem te ontwerpen en te maken.
Het is een gespleten granieten gedenksteen geworden met bronzen reliëfs, links de toren van Gorcum en re. de sawa’s en een palmboom. De gespletenheid was en is nog steeds aanwezig in het denken over onze Indiëgangers. In de re.steen zijn vijf kruizen in vallende toestand gehakt – vijf Gorcummers kwamen daar om.

Herdachte groepen: Militairen in dienst van het Ned. Koninkrijk na 1945, Militairen in dienst van het Ned. Koninkrijk 1940-1945, Burgers voormalig Nederlands-Indië.

Er zijn van zijn hand ook aan de oorlogstijd herinnerende grafmonumenten, één daarvan is dit monument op de oude Algem. Begraafplaats in Gorinchem. Cornelis Kreukniet kwam om door dwangarbeid.

Het waren niet alleen oorlogsmonumenten, er kwam ook een monument voor de windhoosramp in Tricht ( gem.Geldermalsen. In 1967 ontwierp en vervaardigde Marcus Ravenswaaij drie mensenfiguren die door de windhoos de lucht in worden geslingerd. De foto hieronder is van het gestolen kunstwerk.

Het originele beeld van kunstenaar Marcus Ravenswaaij werd eind 2012 gestolen, vermoedelijk door koperdieven. Zijn weduwe heeft de nieuwe sculptuur ontworpen die is gebaseerd op het origineel. Het monument is onthuld door nabestaanden. Om het geld bijeen te krijgen, organiseerden inwoners van het dorp allerlei activiteiten.’ Aldus een krantenartikel.

Een andere bijzondere opdracht was die van de vrienden van Slot Loevestein voor de herdenking van de 400e geboortedag van Hugo de Groot. U kunt dit bronzen reliëf bekijken in mijn blog van jan. 2017 op www.uniquesculptures.nl: Sprekende beelden

Van mijzelf wil ik de bronzen beeldengroep Kyrië Eleison toevoegen.

Gescheurde kleding, dans van en naar de aarde. ‘Heer, erbarm U over ons onvermogen.’

Herdenken is een kunst

Ik heb, vanuit mijn perspectief als beeldhouwer, hier iets verteld over hoe de kunstenaar in het herdenken op een knooppunt in de samenleving staat en enkele fotovoorbeelden uit onze collectie toegevoegd. Maar bladerend door de naoorlogse geschiedenis van de oorlogsmonumenten blijkt dat ook herdenken een kunst is. De kunst n.l. om naar elkaar te luisteren!

Juist omdat de 4 en 5 meidagen van en voor ons volk zijn mag iedereen meepraten en zijn mening inbrengen. Iedere sociale groep heeft daarbij zijn eigen verhaal en wil, heel begrijpelijk, voor zijn eigenheid graag publiekelijk erkenning krijgen. Vaak zijn het echter tegengestelde meningen die tot nu toe bij de jaarlijkse herdenking van de Tweede Wereldoorlog nogal eens strubbelingen hebben veroorzaakt over vorm en inhoud. De een wordt kwaad, een ander voelt verdriet of angst omdat hij niet gehoord en verstaan wordt en weer een ander acht zijn mening zo superieur dat er van luisteren naar de ander geen sprake is. Precies dat waar de beeldhouwer in de uitvoering van zijn ontwerp ook al mee te maken kreeg.

Het ‘grote verhaal’

Wanneer ieder de wil en de moed heeft ten positieve deel te nemen aan de betekenis van het gemeenschappelijke ‘grote verhaal‘ kan er een herinneringsgemeenschap ontstaan van waardigheid, saamhorigheid en eensgezindheid. Dat getuigt, naar ik meen, van creativiteit, van vaardigheid en goed kunnen luisteren om net als de beeldhouwer al ‘de kleine verhalen’ te bundelen in een monument dat ‘het grote verhaal’ vertelt.

Zo is de geschiedenis van een land herkenbaar in de wisselwerking tussen kunst en samenleving.

———